Van 1694 tot brexit: drie eeuwen Brits rentebeleid

Kurt Vansteeland & Jago Kosolosky

Inleiding

De Bank of England (BoE) is met zijn 322 lentes de op één na oudste centrale bank ter wereld. Centrale banken – ook de Engelse – waren initieel niet veel meer dan persoonlijke geldpersen van koningen om oorlogen mee te financieren. Pas later namen ze de rol van waakhond over de financiële stabiliteit en ultieme kredietverschaffer op zich. Een sleutelrol speelt daarbij de basisrente, waarmee de centrale bank beurtelings de economie afremt en aanport. Pas sinds 1844 heeft de Bank of England het alleenrecht om geld te drukken. Dat recht was tot 1931 rechtstreeks gelinkt aan de goudvoorraad in haar kelders. Nu staat er tegenover de biljetten met Queen Elisabeth II alleen het vertrouwen van de burger dat het papiertje ook écht de vermelde koopkracht heeft, vandaar dat we spreken over ‘fiduciair geld’.

1694 – 1844

Tussen 1776 en 1815 verklaart Amerika zich onafhankelijk van de Britten, doet de Franse revolutie Europa op zijn grondvesten daveren en bijt Napoleon in het zand in Waterloo. En de rente? Die blijft doorheen vrijwel de hele periode vastgeroest. In haar eerste anderhalve eeuw was de Bank of England een soort privé-financier van de overheid en primus inter pares met andere banken, die allemaal concurrerende biljetten mochten uitgeven. Dat veranderde met de Bank Charter Act van 1844. Om veel te forse geldcreatie en dus inflatie te beteugelen, mag de BoE voortaan als enige geld drukken en wordt elk biljet gelinkt aan een ‘achterliggende’ voorraad goud.

1844 – 1946

De Bank of England stuurt de economie bij met de rente: als de economie boomt gaat de rente omhoog om ze af te koelen en vice versa. Bij de start van de Eerste Wereldoorlog eind juli 1914 verhoogt de bank de rente plotsklaps van 4 naar een piek van 10 procent om de kapitaalvlucht in te dammen en zo de slinkende goudvoorraad te verdedigen. Even later wordt de link met de goudvoorraad wegens onhoudbaar geschrapt en definitief afgevoerd in 1931, in volle Grote Depressie. Na de Tweede Wereldoorlog nationaliseert de Britse overheid de Bank of England – tot dan was ze een beursgenoteerde privébank.

1946 – 2016

Na een relatief stabiele periode leidt excessieve geldcreatie tot de stagflatie – een stagnerende economie en oplopende inflatie – van de jaren zeventig. De Britse regering moet in 1976 zelfs met het schaamrood op de wangen een noodkrediet bij het IMF vragen om het pond te redden. Pas in 1998 kan de Bank of England onafhankelijk van het ministerie van Financiën de rente bepalen. In de nasleep van de bankencrisis van 2008, waarbij verschillende Britse grootbanken door de overheid gered moeten worden en de economie de dieperik ingaat, verlaagt de Bank of England de rente naar 0,50 procent, het laagste peil sinds 1694. Dat wordt op 4 augustus 2016 0,25 procent, in een poging de economie na het brexit-referendum voor een zware recessie te behoeden.

Inleiding

De Bank of England (BoE) is met zijn 322 lentes de op één na oudste centrale bank ter wereld. Centrale banken – ook de Engelse – waren initieel niet veel meer dan persoonlijke geldpersen van koningen om oorlogen mee te financieren. Pas later namen ze de rol van waakhond over de financiële stabiliteit en ultieme kredietverschaffer op zich. Een sleutelrol speelt daarbij de basisrente, waarmee de centrale bank beurtelings de economie afremt en aanport. Pas sinds 1844 heeft de Bank of England het alleenrecht om geld te drukken. Dat recht was tot 1931 rechtstreeks gelinkt aan de goudvoorraad in haar kelders. Nu staat er tegenover de biljetten met Queen Elisabeth II alleen het vertrouwen van de burger dat het papiertje ook écht de vermelde koopkracht heeft, vandaar dat we spreken over ‘fiduciair geld’.

1694 – 1844

Tussen 1776 en 1815 verklaart Amerika zich onafhankelijk van de Britten, doet de Franse revolutie Europa op zijn grondvesten daveren en bijt Napoleon in het zand in Waterloo. En de rente? Die blijft doorheen vrijwel de hele periode vastgeroest. In haar eerste anderhalve eeuw was de Bank of England een soort privé-financier van de overheid en primus inter pares met andere banken, die allemaal concurrerende biljetten mochten uitgeven. Dat veranderde met de Bank Charter Act van 1844. Om veel te forse geldcreatie en dus inflatie te beteugelen, mag de BoE voortaan als enige geld drukken en wordt elk biljet gelinkt aan een ‘achterliggende’ voorraad goud.

1844 – 1946

De Bank of England stuurt de economie bij met de rente: als de economie boomt gaat de rente omhoog om ze af te koelen en vice versa. Bij de start van de Eerste Wereldoorlog eind juli 1914 verhoogt de bank de rente plotsklaps van 4 naar een piek van 10 procent om de kapitaalvlucht in te dammen en zo de slinkende goudvoorraad te verdedigen. Even later wordt de link met de goudvoorraad wegens onhoudbaar geschrapt en definitief afgevoerd in 1931, in volle Grote Depressie. Na de Tweede Wereldoorlog nationaliseert de Britse overheid de Bank of England – tot dan was ze een beursgenoteerde privébank.

1946 – 2016

Na een relatief stabiele periode leidt excessieve geldcreatie tot de stagflatie – een stagnerende economie en oplopende inflatie – van de jaren zeventig. De Britse regering moet in 1976 zelfs met het schaamrood op de wangen een noodkrediet bij het IMF vragen om het pond te redden. Pas in 1997 kan de Bank of England onafhankelijk van het ministerie van Financiën de rente bepalen. In de nasleep van de bankencrisis van 2008, waarbij verschillende Britse grootbanken door de overheid gered moeten worden en de economie de dieperik ingaat, verlaagt de Bank of England de rente naar 0,50 procent, het laagste peil sinds 1694. Dat wordt op 4 augustus 2016 0,25 procent, in een poging de economie na het brexit-referendum voor een zware recessie te behoeden.

Bekijk deze pagina op een groter scherm om zelf in de gegevens te graven. Op tablet? Draai uw toestel.